U bevindt zich op: Home Nieuws overzicht Persberichten 2017 05 Te weinig bekend van resultaten rijksbeleid; knelpunten bij personeel en ICT; nog zorgen over Belastingdienst

Te weinig bekend van resultaten rijksbeleid; knelpunten bij personeel en ICT; nog zorgen over Belastingdienst

Verantwoordingsonderzoek: Rekenkamer ziet momentum voor verbetering

Van veel beleid van het kabinet is onduidelijk wat de effecten ervan voor de samenleving zijn. President Arno Visser van de Algemene Rekenkamer: “Als het moeilijk is uitspraken te doen over voor burgers en bedrijven bereikte resultaten, is het niet denkbeeldig dat slechte resultaten of incidenten bij een ministerie, een paar scholen of gemeenten leiden tot speculatie, te snel getrokken conclusies. Het gevaar daarvan is dat incidenten leiden tot een algemene aanpassing van beleid. Fact-free politics staat haaks op de beginselen van goede verantwoording. Hier ligt een rol voor het parlement. Zowel bij het vastleggen van nieuwe en realistische ambities als het bewaken dat het kabinet voldoende tijd uittrekt voor de uitvoering van nieuw beleid. Dat is de les van de afgelopen periode.”

Daarom is het bemoedigend dat dit jaar in reactie op het verantwoordings-onderzoek van de Algemene Rekenkamer de ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de oproep omarmen om meer met gestandaardiseerde begrippen te gaan werken. Hierdoor wordt het delen van informatie en daarmee verantwoording afleggen over de resultaten van beleid eenvoudiger.

De Algemene Rekenkamer keurt de Rijksrekening 2016 goed. Uitgaven (€ 223,5 miljard), ontvangsten (€ 231,7 miljard) en verplichtingen (€ 211,1 miljard) waren voor ruim 99 % rechtmatig. Dit oordeel verdient echter nuancering, omdat inmiddels circa 60 % van de rijksuitgaven naar gemeenten, provincies, bedrijven en instellingen als het UWV en de Sociale Verzekeringsbank gaat. Deze organisaties worden door hun eigen democratische orgaan of accountant gecontroleerd. Zo valt buiten het oordeel van de Rekenkamer dat 40% van € 2,3 miljard uitgaven door SVB voor het persoonsgebonden budget voor burgers die zelf zorg willen inkopen niet rechtmatig was. Vergelijkbaar is dat de helft van de gemeenten van hun accountant een afkeurende verklaring kregen, omdat onzeker is of jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning verleend is. Taken waar het Rijk geld voor beschikbaar stelt.

Het verantwoordingsonderzoek over 2016 wijst verder uit dat het Rijk kampt met een krapte aan specifieke deskundigheid en een dreigend overschot aan middelbaar administratief personeel. Signalen over hoge werkdruk nemen toe en tekorten aan specialisten (financieel, ICT, artsen bij inspectiediensten, cyberexperts bij de politie) lopen op. Ook zijn er bezettingsproblemen bij defensie en in het gevangeniswezen. Informatiebeveiliging blijkt bij diverse overheidsinstanties nog niet op orde. In het op 17 mei 2017 gepubliceerde verantwoordingsonderzoek over 2016 telt de Algemene Rekenkamer 36 zogenoemde onvolkomenheden in de bedrijfsvoering van het Rijk, maar in tegenstelling tot voorgaande jaren geen ernstige. Het gaat vooral over problemen met ICT en beveiliging van informatie, bij de inkoop en de mate waarin management in control is. De meeste problemen kent  het Ministerie van Financiën, met name met de aansturing en noodzakelijke vernieuwing van de Belastingdienst. Zorgelijk, omdat deze cruciale dienst zelf niet kan aangeven of de continuïteit bij het innen en controleren van belastingen in het geding is door de onvoorzien grote personeelsuitstroom in 2016.

Cruciale informatie voor strategische personeelsplannen ontbreekt

Bij de sector Rijk (defensie en rechterlijke macht vallen hier buiten) is, volgens een berekening van de Algemene Rekenkamer, een verdere krimp met 9.000 fte voorzien vanwege  doorlopende taakstellingen. Nu werken er 109.000 ambtenaren. Topambtenaren geven aan dat de grens van taakstellingen is bereikt. Het rijkspersoneel vergrijst, ook door het verhogen van de pensioenleeftijd.
De coördinerend minister van BZK heeft de ambitie om knelpunten rijksbreed aan te pakken, maar departementen beschikken niet over cruciale informatie welke personele kwaliteiten op termijn nodig zijn, ook gezien de digitalisering en andere ontwikkelingen in de samenleving. Cijfers over in- en uitstroom van medewerkers zijn op rijksniveau beperkt beschikbaar. Er is nu onvoldoende deskundigheid in huis op terreinen als ICT, er is een tekort aan keuringsartsen en inkoopexpertise –het Rijk koopt wel jaarlijks voor € 10,2 miljard aan goederen en diensten in. Bij de politie zijn financiële en ICT-experts ondanks verschillende wervingsronden schaars. Hierdoor is er onderbezetting, die de opsporing belemmert van financieel-economische en cybercriminaliteit, twee sterk groeiende rechercheterreinen. Het opnemen van aangiften van cybercriminaliteit is niet op orde, waardoor slachtoffers geen gehoor vinden bij de politie. Ook bij ministeries zijn er onvoldoende financieel deskundigen.

Meer aandacht ministeries voor informatiebeveiliging nodig

Het Rijk werkt aan een generieke digitale infrastructuur, maar niet zeker is of uitvoeringsinstellingen willen betalen om hiervan gebruik te maken als de kwaliteit niet verzekerd is. De voorbereiding van nieuwe ICT-projecten verbetert. Maar er is nog onvoldoende systematische aandacht voor de honderden evaluaties van ICT-projecten. Een aan de Tweede Kamer toegezegd kenniscentrum is nog niet opgericht. Er is daarnaast bestuurlijke aandacht vereist  om gevoelige gegevens van burgers over een strafrechtelijk verleden, orgaandonatie, belasting- of medische informatie beter te beschermen. En om identiteitsfraude, het hacken van systemen voor de bediening van bruggen en sluizen of andere kritieke systemen tegen te gaan. Bij Economische Zaken, Defensie, Financiën, Veiligheid en Justitie (VenJ), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), BZK, Onderwijs, Cultuur en Welzijn en bij Infrastructuur en Milieu signaleert de Algemene Rekenkamer onvolkomenheden bij de informatiebeveiliging. Ook bij de Tweede Kamer is de beveiliging en het beheer van het financieel systeem nog niet voldoende.

De Algemene Rekenkamer stelt vast dat de onderzoekscapaciteit van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voor het uitvoeren van sporenonderzoek nog niet goed aansluit op de behoefte van de politie en het openbaar ministerie (OM). Het NFI levert bijna een kwart van de onderzoeken niet binnen de vooraf afgesproken tijd. Dit deed zich vooral voor bij digitaal en biometrisch sporenonderzoek. NFI krijgt van het ministerie een jaarbudget van € 90 miljoen. De Algemene Rekenkamer beveelt de minister van VenJ aan om te bepalen wat het NFI minimaal aan sporenonderzoek moet leveren. In een reactie hierop schrijft de minister dat de capaciteit van het NFI ‘altijd kleiner zal zijn dan de vraag naar sporenonderzoek bij OM en politie’. Maar hij wijst er op dat het NFI voor 2017 een realistische planning heeft gemaakt. Ook heeft het instituut middelen gekregen om de capaciteit uit te breiden via de weg van scholing en werving van personeel en uitbesteding van werk.
Verder is bij NFI het financieel beheer niet op orde. Een voorbeeld is het inkoopbeheer waar contracten ontbreken en de aanbestedingsregels niet altijd zijn nageleefd. Hierdoor is ruim € 16 miljoen van deze uitgaven (ongeveer de helft van het totaal) onrechtmatig. Positief is dat het NFI goed inzicht heeft in de problemen na een eigen doorlichting van de dienstverlening, en de voortgang van het verbeterprogramma goed bewaakt en daar regelmatig over rapporteert aan het Ministerie van VenJ.

Meer grip bij VenJ op financieel beheer

De Algemene Rekenkamer constateert dat het Ministerie van VenJ in 2016 veel werk verzet heeft om te veranderen. Er is hiertoe een programma opgezet, ‘VenJ verandert’. Vorig jaar oordeelde de Rekenkamer dat er een ‘ernstige onvolkomenheid’ was op het gebied van het financieel beheer. Intussen is veel voorbereidend werk gedaan om dit op orde te krijgen, maar een en ander is nog niet afgerond. Met het oog op deze verbeteringen spreekt de Rekenkamer van een onvolkomenheid, maar geen ernstige meer.

Modernisering Belastingdienst stagneert

Van alle ministeries heeft het Ministerie van Financiën de meeste onvolkomenheden. Deze hebben (indirect) betrekking op de aansturing van de Belastingdienst, het toezicht op de naleving van belastinginning en de noodzakelijke modernisering. Het omvangrijke investeringsprogramma van de Belastingdienst (€ 1,1 miljard voor de periode tot 2020) is in 2016 feitelijk stilgevallen. Eerder had de staatssecretaris zelf gezegd hoe belangrijk deze vernieuwing is. De Tweede Kamer had ingestemd met het budget. De Belastingdienst beschikt nog steeds niet over de juiste managementinformatie om te sturen op de vernieuwing en lering te trekken uit eerdere problemen. Weliswaar stuurt de staatssecretaris van Financiën het parlement veel informatie, maar dat weet nog niet waar het aan toe is als het gaat om de (on)mogelijkheden om het fiscale stelsel te vernieuwen. Over de investeringsagenda is die zelfs bijzonder karig. Na de grote personeelsuitstroom in 2016 en voor de komende jaren wordt in 2017 voor circa de helft van de vrijgevallen bedrijfskritieke functies nieuw personeel geworven. Formeel is de voor de dienst nadelige vertrekregeling rechtmatig. De vertrekregeling kost echter wel € 714 miljoen (inclusief een mogelijke strafheffing van € 178 miljoen).
Daarnaast bestaat op specifieke onderdelen het risico dat de Belastingdienst te weinig toezicht houdt. Zo zijn de boekenonderzoeken voor de assurantiebelasting en andere kleinere belastingregelingen vrijwel stilgevallen, wat voor 2016 niet de bedoeling was. Verder heeft de fiscus de eigen aangifte van loon- en vennootschapsbelasting niet op orde. Inmiddels is de Belastingdienst er wel in geslaagd om de verouderde ICT-systemen beter te beheersen. Dit geldt niet langer als een ernstige onvolkomenheid.
Herijking van de investeringsagenda is verstandig. Op dit moment verdient het  vinden van de juiste balans tussen modernisering van de bedrijfsvoering van de Belastingdienst en de realisatie van nieuwe politieke ambities op fiscaal gebied nadrukkelijk aandacht van Kamer en kabinet.

Lichte verbetering bij Defensie

De beperkte inzetbaarheid van de krijgsmacht had in de afgelopen jaren veel te maken met materieel dat niet beschikbaar was omdat het kapot, incompleet of in onderhoud was. In 2015 merkte de Algemene Rekenkamer de logistieke keten voor reserveonderdelen aan als een ernstige onvolkomenheid. Het afgelopen jaar is Defensie erin geslaagd de problemen met de aanvoer van reserveonderdelen aan te pakken. De logistieke keten is nog steeds een onvolkomenheid, maar de problematiek is minder ernstig dan een jaar ervoor. Ongeveer de helft van de 21 hoofdwapensystemen voldeed in 2016 aan de norm voor materiële gereedheid.
De operationele gereedheid hangt af van de materiële en de personele gereedheid. De inzetbaarheid van de krijgsmacht kent nog beperkingen, omdat de effecten van de maatregelen rond de logistieke keten pas op termijn zullen blijken. Bij de operationele gereedheid van militaire eenheden speelt ook de gereedheid en geoefendheid van militairen een rol. Onderzoek van de Algemene Rekenkamer wijst opnieuw uit dat de leiding van de krijgsmacht en het ministerie niet over voldoende betrouwbare informatie beschikken over de gereedheid van het personeel. Dit is een hardnekkig managementprobleem bij Defensie. Van de 71 eenheden in de krijgsmacht voldeden er 46 aan de norm voor operationele gereedheid. Het jaarverslag van het Ministerie van Defensie dient voor het parlement adequate informatie te geven over de haalbaarheid van de inzetbaarheidsdoelstellingen. De investeringen bij Defensie stijgen, maar vielen afgelopen jaar wederom lager uit dan begroot. De personeelsomvang daalde onder de 56.000 fte. Nederland gaf met € 8,2 miljard 1,18 % van het bruto binnenlands product uit aan Defensie.
Lichte verbetering doet zich voor bij het gebruik van ICT-systemen, maar op onderdelen blijft dit zorgelijk. Er zijn minder incidenten vanwege gebrekkig functionerende IT-voorzieningen. Voor militairen op missie of op oefening blijkt buiten kantoortijden de ondersteuning vanuit de serviceorganisatie niet bezet als zich materieelproblemen voordoen.

Krijgen burgers waar voor hun geld?

Van veel beleidsmaatregelen die het kabinet heeft genomen is onduidelijk wat de effecten voor burgers en bedrijven zijn. Soms is onbekend welk doel een minister wil bereiken of waar het geld is gebleven. Gegevens zijn nogal eens versnipperd, waardoor het parlement moeilijk inzicht krijgt. Andere keren is de bestemming van het belastinggeld duidelijk, maar niet welke effecten ermee bereikt zijn. Evaluaties van beleid kunnen beter of worden onvoldoende benut.

De Algemene Rekenkamer heeft de praktijk van het in augustus 2014 ingevoerde ‘passend onderwijs’ onderzocht. Doel van de wet, waarmee € 2,4 miljard per jaar is gemoeid, is extra ondersteuning bieden aan leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld omdat ze zich heel moeilijk kunnen concentreren, agressief zijn of een lichamelijke beperking hebben. Ook zou de wet meer zicht moeten geven in de effectiviteit van de bestede middelen. Dat zicht is niet verbeterd. Hoewel de Tweede Kamer bij de invoering van passend onderwijs in een motie vroeg om meer zicht op de besteding en het aantal leerlingen met ondersteuningsbehoefte, is niet duidelijk hoeveel kinderen in het reguliere onderwijs behoefte hebben aan extra ondersteuning. Het register waarin wordt bijgehouden of kinderen die extra steun daadwerkelijk krijgen is onbetrouwbaar. Omdat het ministerie geen duidelijke eisen stelt aan de verantwoording door scholen van het geld voor passend onderwijs, is niet inzichtelijk wat ermee gedaan en bereikt is. Illustratief zijn financiële verschillen waar de Algemene Rekenkamer op stuitte bij de betalingen van het Rijk aan  samenwerkingsverbanden van scholen. De bedragen die deze verbanden en individuele scholen volgens hun jaarverslagen hebben ontvangen, sluiten niet aan. De minister zegt in een reactie op de bevindingen dat zij het eens is met de conclusies van dit onderzoek. De Rekenkamer vindt dat uit de gehele reactie niet blijkt dat de minister van OCW de urgentie voelt om tot meer transparantie te komen over de besteding van gelden aan passend onderwijs.
In 2013 concludeerde de Rekenkamer al dat aan de invoering van passend onderwijs risico’s zijn verbonden, omdat financiële en personele voorwaarden bij schoolbesturen niet ideaal waren.

Mate van succes sectorplannen zorg onduidelijk

De Algemene Rekenkamer concludeert dat er geen zekerheid bestaat over de mate van succes van het sectorplan zorg. Sectorplannen worden als instrument ingezet om de arbeidsmarkt beter te laten functioneren. Het is onduidelijk hoeveel zorgmedewerkers via deze aanpak, waarin de rijksoverheid maximaal € 100 miljoen investeert, een andere baan binnen of buiten de sector hebben gevonden. Op basis van de wel beschikbare gegevens valt op dat de resultaten van het landelijke plan ver achterblijven bij de oorspronkelijke doelstelling. Het aantal van-werk-naar-werk-trajecten is fors teruggeschroefd (van 23.946 naar 4.000). Uiteindelijk hebben tussen medio 2014 tot medio 2016 3.252 medewerkers uit de langdurige zorg een dergelijk traject gevolgd. Uit deze groep hebben inmiddels 1.499 mensen (46%) ander werk gevonden, zo blijkt uit cijfers van het Agentschap SZW. Daarbij is onduidelijk hoeveel mensen buiten de zorg aan de slag zijn gegaan. De regionale aanpak bestaat overwegend uit bij- en omscholing. Daarvan wordt veel gebruikt gemaakt: de teller stond in maart 2017 op 68.504 aangeboden scholingstrajecten (93% van de doelstelling). Of de opleidingen succesvol zijn afgerond en hoeveel werknemers dankzij deze trajecten ander werk – binnen of buiten de zorg – hebben gevonden is echter niet te zeggen. Ook is onbekend of de dienstverlening van het UWV aan werklozen uit de zorg werkt. Eind 2015 werd      € 28 miljoen vanuit het oorspronkelijke budget van het sectorplan zorg overgeheveld naar het UWV. Dit geld was specifiek bedoeld om werknemers in de langdurige zorg die met ontslag worden bedreigd of al ontslagen zijn naar nieuw werk te begeleiden. De staatssecretaris van VWS verwijst naar de minister van SZW over sectorplannen. Deze minister wil echter geen uitspraken doen over een specifiek sectorplan.

Moeizame samenwerking voor arbeidsbeperkten

De ‘banenafspraak’ die er toe moet leiden dat er in 2025 in totaal 125.000 extra banen zijn voor de kwetsbaarste groep arbeidsbeperkten komt nog onvoldoende uit de verf. De Algemene Rekenkamer concludeert onder andere dat de regionale samenwerking tussen gemeenten en UWV moeizaam verloopt en dat de aanpak in de 35 arbeidsmarktregio’s onvoldoende eenduidig is, waardoor werkgevers het spoor bijster dreigen te raken. Ook lopen gemeenten achter met het vullen van de database met beschikbare kandidaten, wat de kans op een ‘match’ tussen werkgever en werkzoekende verkleint.
Uit tussenrapportages van het UWV blijkt dat tussen september 2015 en september 2016 een groei van 3.592 banen voor arbeidsbeperkten is gerealiseerd. Gezien de uiteindelijke doelstelling van 125.000 extra banen (100.000 bij bedrijven, 25.000 bij de overheid) lijkt deze groei mager. Het is onduidelijk of er sprake is van duurzaam – blijvend – arbeidsaanbod. Werkgevers kiezen vaak voor uitzendcontracten, detacheringen en tijdelijke contracten. Werkgevers in de overheidssector maken weinig gebruik van formele dienstverbanden bij het creëren van banen voor arbeidsbeperkten.

Bij de begeleiding van Nederlanders in een buitenlandse gevangenis maakt de minister van Buitenlandse Zaken de afspraak met de Tweede Kamer niet waar voor méér consulaire bijstand in landen waar de omstandigheden slecht zijn. Circa 2.000 Nederlanders zitten ergens in het buitenland een straf uit. De verschuiving van aandacht van ambassademedewerkers of medewerkers/ vrijwilligers van de reclassering en PrisonLAW naar meer bezoeken in ‘zorglanden’ als China, Indonesië, landen in Zuid- en Noord-Amerika, Turkije en Zuid-Afrika wordt niet waargemaakt. In die landen zitten circa 700 Nederlanders vast en het gemiddeld aantal bezoeken aan hen neemt af. Ook in landen met behoorlijke detentieomstandigheden loopt het gemiddeld aantal bezoeken door ambassademedewerkers per gevangene terug. Omdat daar een gevangene nog maar één keer bezocht wordt voor consulaire bijstand, is dat een risico voor met name kwetsbare mensen. Zij krijgen dan mogelijk niet op maat de begeleiding zoals in het beleid beoogd is. Per saldo, zo leert het onderzoek van de Algemene Rekenkamer, blijkt de gekozen aanpak vooral een bezuinigingsmaatregel, terwijl de minister de Kamer indertijd voorhield dat dat juist niet de bedoeling is. In zijn reactie op deze bevindingen ontkent de minister dat er sprake is van bezuiniging, toegenomen risico of te weinig inzet. Hij spreekt van maatwerk, en geeft daarbij Japan als voorbeeld, waar extra inzet is gepleegd voor Nederlandse gevangenen.
Verder blijkt dat de uitvoering van wettelijke afspraken om in het buitenland veroordeelden hun straf in Nederland te laten uitzitten nogal eens vastloopt. Zo duurt een aanvraagprocedure voor de zogenoemde strafoverdracht met Peru en Venezuela wel tot drie jaar. Achterstanden bij rechtbanken in Frankrijk maken de verhuizing naar een Nederlandse cel ook vaak onmogelijk.

Luchtkwaliteit verbetert, maar komt het door beleid?

De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen jaren verbeterd. Toch zijn er nog steeds plekken waar niet wordt voldaan aan de Europese grenswaarden. In hoeverre de verbetering een gevolg is van maatregelen in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is niet duidelijk. Het onderzoek van de Algemene Rekenkamer wijst uit dat de minister van Infrastructuur en Milieu weinig zicht heeft op hoeveel publiek geld er in dit NSL omgaat en op de effectiviteit van verschillende maatregelen.
Op basis van de beschikbare informatie is het nu niet mogelijk om te concluderen of de ingezette combinatie van landelijke en lokale maatregelen de optimale mix is geweest om de luchtkwaliteit te verbeteren. De Algemene Rekenkamer heeft becijferd dat er sinds 2009 vanuit het samenwerkingsprogramma bijna € 800 miljoen is besteed aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Mogelijk had met dezelfde hoeveelheid geld een grotere verbetering van de luchtkwaliteit gehaald kunnen worden, of dezelfde verbetering met minder geld. Ook is niet duidelijk welke dwarsverbanden er zijn tussen landelijke en lokale maatregelen en in hoeverre die elkaar versterken. Het ministerie heeft de eindevaluatie een aantal keren uitgesteld, deze staat nu gepland voor 2019. Er zijn sinds 2009 geen tussenevaluaties geweest om eventueel tussentijds te leren of bij te sturen.

Budget voor ‘Groningen’ is bijna uitgeput. De gaswinning in Groningen en die uit kleine velden op zee loopt terug. Omdat ook de gasprijzen zijn gedaald, vallen de baten voor de overheid steeds lager uit. Uit winstafdrachten en dividenden van NAM, EBN en Gasterra en uit belastingen ontving de Staat in 2016 totaal bijna € 2,2 miljard (in 2013 was dit nog € 13,3 miljard). Onderdeel van deze terugval is een teruggave aan  staatsbedrijf EBN van bijna € 453 miljoen vanwege een in 2015 te optimistisch ingeschatte winstuitkering. Uit een analyse van de geldstromen rondom het aardgas valt verder op dat de kosten van de bevingsschade in Groningen en daarbij horend flankerend beleid om de noordelijke regio tegemoet te komen hoger uitvallen dan geraamd. De rijksoverheid, NAM en provincie Groningen hadden € 1,3 miljard geraamd voor de periode 2014-2018. Dat geld blijkt eind 2016 al bijna uitgegeven. Daarentegen zou afgelopen jaar ruim € 92 miljoen uitgegeven worden van de € 430 miljoen aanvullende middelen die de overheid tot het jaar 2024 via de nationaal coördinator Groningen te besteden heeft. Dat is € 20 miljoen geworden, omdat uitvoeringsregels later klaar waren dan gedacht.

Rekenkamer opnieuw kritisch over persoonsgebonden budgetten

Net als in voorgaande jaren plaatst de Algemene Rekenkamer kritische kanttekeningen bij het systeem voor de uitbetaling van persoonsgebonden budgetten (pgb's). Twee jaar na de invoering van het nieuwe betalingssysteem – waarbij er geen geld op de eigen rekening van de budgethouder terecht komt – functioneert de keten nog altijd niet optimaal. Zorgverleners worden op tijd uitbetaald, maar in 2016 was 40 % van de betalingen is onrechtmatig als gevolg van het ontbreken van controles op declaraties. De staatssecretaris van VWS heeft een verandering aangekondigd via een nieuwe publiekrechtelijk organisatie die als opdrachtgever voor het trekkingsrecht pgb moet gaan fungeren. Nu is nog niet duidelijk hoe en wanneer dit gebeurt. Gelet op de ervaringen van afgelopen twee jaar moet dit wel eenduidig geregeld worden.

Meer burgers krijgen huurtoeslag

Het aantal burgers dat huurtoeslag krijgt blijft stijgen. Afgelopen jaar ging het om ruim 1,4 miljoen burgers die opgeteld ruim € 3,9 miljard aan huurtoeslag ontvingen. Dat is enkele honderden miljoenen meer dan de minister voor Wonen en Rijksdienst begroot had. Afgelopen jaren was dat ook al aan de orde. Het aantal ontvangers waarbij ten onrechte aangevraagde of uitbetaalde huurtoeslag wordt teruggevorderd, loopt terug van 20 % naar 14,5 %. In geld uitgedrukt is de terugloop minder fors: in 2009 werd nog € 0,5 miljard teruggevorderd, in 2014 was dit € 0,45 miljard. Het merendeel van dat geld komt daadwerkelijk bij de overheid terug.

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft in de afgelopen jaren voor bijna € 700 miljoen subsidie gestoken in drie fondsen voor ontwikkelingshulp, zodat deze kunnen investeren in infrastructuur, duurzame energie en het stimuleren van micro-, midden- en kleinbedrijf in ontwikkelingslanden. Deze fondsen zijn in opzet revolverend; ze lenen geld uit voor projecten in ontwikkelingslanden in vooral Afrika en Azië of zorgen anderszins voor aanvullende financiering. Deze financiële steun vloeit via aflossingen en rentebetalingen terug in het fonds, soms met positief rendement. Twee van de drie fondsen presteren financieel beter dan de minister bij de subsidieverlening als voorwaarde had gesteld. Alle drie fondsen worden door FMO beheerd, een bankinstelling waar de Staat voor 61 % eigenaar van is. De minister informeert de Kamer  karig over het presteren van deze fondsen. Hoeveel burgers of klanten met de projecten worden bereikt of hoeveel banen worden gecreëerd, is niet duidelijk. Verhoogt of verlaagt de minister de bijdrage aan deze fondsen, dan informeert zij de Kamer niet of zeer beperkt. Zo kreeg een fonds vijf jaar geleden € 32 miljoen extra, maar dat geld blijkt nog steeds niet te zijn ingezet. De minister kan binnen een fonds een ander fonds subsidiëren zonder het parlement op de hoogte te stellen.

Deugdelijke verklaring over inzet EU-fondsen

De wijze waarop gelden uit Europese fondsen in Nederland worden beheerd en besteed is verder verbeterd. Dit blijkt uit de Nationale verklaring 2017 die de minister van Financiën namens het kabinet heeft opgesteld. Deze verklaring betreft uitgaven  waarvoor de EU en het kabinet samen verantwoordelijk zijn. Nederland is een van de weinige EU-lidstaten die zich publiekelijk verantwoorden via deze verklaring over de meeste EU-uitgaven. Deze wordt naar het parlement en de Europese Commissie gestuurd. De meeste EU-lidstaten sturen alleen de verplichte, beperktere samenvatting naar  de Europese Commissie.
De Algemene Rekenkamer vindt  dat de Nationale verklaring een deugdelijke kwalificatie geeft van de rechtmatigheid van deze uitgaven en het functioneren van de door Nederland opgezette beheers- en controlesystemen voor de Europese fondsen. De Nationale verklaring 2017 omvat € 702,2 miljoen. Veel minder dan voorgaande jaren, omdat er vanwege een nieuwe subsidieperiode (2014-2020) nog relatief weinig bedragen door lidstaat Nederland in Brussel zijn gedeclareerd.
Nederland heeft in 2016 per saldo € 59,3 miljoen aan verstrekte subsidies aan de landbouwsector aan ‘Brussel’ terugbetaald vanwege door de Europese Commissie opgelegde financiële correcties. Dat gaat vooral om subsidies aan de groenten- en fruitsector, ook voor schoolfruit.
Over de afgesloten subsidieperiode (2007-2013) zijn bij het Europese visserijfonds in Nederland bij herhaling relatief veel fouten in de subsidieverlening en controle  vastgesteld. Hierdoor is uiteindelijk maar 71 % van het oorspronkelijk voor Nederland beschikbare budget van € 49 miljoen benut. De meeste andere EU-fondsen zijn voor nagenoeg 100 % benut. Verbetert het beheer en de controle in Nederland op het (vernieuwde) visserijfonds niet, dan bestaat het risico dat de komende jaren weer Europese subsidie voor de visserijsector onbenut blijft.

Europese landbouwfondsen

Voor de subsidieperiode 2014-2020 is via twee landbouwfondsen (ELGF en ELFPO) voor Nederland in ieder geval bijna € 6 miljard beschikbaar om de agrarische sector te ondersteunen. Bij een lopende subsidieregeling van bijna € 4 miljoen per jaar bestaat het risico dat de Europese Commissie Nederland gaat corrigeren: de subsidie voor boeren die zich verzekeren tegen hagel, droogte of ander slecht weer wordt onvoldoende gecontroleerd. Bij subsidies voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (€ 28 miljoen per jaar) worden nog te veel onrechtmatigheden vastgesteld. Medio dit jaar moet blijken of een nieuw stelsel van afspraken voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer tot verbetering leidt.
Net als voorgaande jaren houdt de minister van Financiën de jaarlijkse afdrachten van Nederland aan de EU buiten de Nationale verklaring. Het afgelopen jaar ging dit om € 8 miljard.

Alle ministers hebben in brieven aan de Algemene Rekenkamer gereageerd op de bevindingen en aanbevelingen. Deze bestuurlijke reacties zijn integraal terug te vinden op www.rekenkamer.nl/verantwoordingsonderzoek2016.

 

Volledige versie